Zorginstellingen zijn nog te weinig innovatief en veranderingen te weinig disruptief, aldus Doekle Terpstra, voorzitter Uneto-VNI en aanjager van het Zorgpact. Hij pleit voor meer regionale verantwoordelijkheid en verbondenheid. “Samenwerken is het nieuwe concurreren.”

Anderhalf jaar geleden werd het Zorgpact geïntroduceerd door drie bewindslieden – Jet Bussemaker, Martin van Rijn en Edith Schippers. Aanleiding waren de ingrijpende en snelle veranderingen in de zorg, onder andere onder invloed van technologie, en de vraag of zorg- en welzijnsinstellingen voldoende adaptief waren om daar op in te spelen. “Neem de bestuurder die zijn verpleeghuis in twee jaar tijd ziet veranderen in een hospice, omdat de zorg meer en meer naar de thuissituatie wordt verplaatst”, aldus Doekle Terpstra, voorzitter Uneto-VNI en aanjager van het Zorgpact.

Het Zorgpact benadert de ontwikkelingen vanuit een regionale insteek: veranderingen die in Appingedam plaatsvinden, hebben immers alleen consequenties voor de regio aldaar. “We willen energie losmaken in de gouden driehoek van zorgaanbieders, onderwijs en lokaal bestuur. En dus niet langer werken met een Haagse blauwdruk, maar innoveren door partijen te verbinden in de regionale omgeving, daar moet het gaan gebeuren.”

Learning communities
In het veld ziet Terpstra handelingsverlegenheid: “De vraag is hoe werk je samen, hoe breng je partners tot samenwerking in regionale zorgpacts. Wij fungeren letterlijk als aanjager tot samenwerken, verbinden en van elkaar leren. In het hele land learning communities creëren en zo tot nieuwe inzichten komen op basis van ervaringen elders”, zegt hij. “Overal zijn prachtige initiatieven te vinden, maar ze komen nog niet in de etalage.”

Een ranking van alle initiatieven ontbreekt, om aan te geven dat dé beste aanpak niet bestaat. “De insteek van het Zorgpact blijkt succesvol, het besef van ketenafhankelijkheid is een stuk groter dan een aantal jaar geleden. Inmiddels zijn er 17 regionale zorgpacts en circa 65 zogeheten koploperinitiatieven. Het is onze taak hiervoor interesse te wekken bij andere partijen, dat zij ervan leren en ontdekken wat past bij hun eigen regionale context.” Tegen de verwachting in ontstaan de meest interessante ideeën niet in de Randstad, maar in het Randland: de rest van Nederland.

Een belangrijk uitgangspunt bij de zorgpacts is intrinsieke motivatie van betrokken partijen. “Samenwerken is het nieuwe concurreren. Het veld verandert, veel organisaties snappen dat. Toch is het soms ingewikkeld om beweging te creëren, lokale overheden kunnen dan optreden als facilitator voor gesprekken”, zegt Terpstra. “De invulling verschilt per regio, elke regio kent ook andere uitdagingen. De ruggengraat is steeds samenwerking, voor de uitvoering geldt: laat duizend bloemen bloeien.”

Regionale dynamiek
Dat wat Den Haag bedenkt goed is voor het hele land, is een verkeerde gedachte. “Dat doet geen recht aan de regionale dynamiek en laat veel talent onbenut. Kern van het Zorgpact is dan ook: vertrouwen op de kracht van de regio zelf en de regio verantwoordelijk maken voor de inclusiviteit in het gebied, zij hebben daar het beste inzicht in”, stelt Terpstra. “Regio is overigens een fluïde begrip en kan uiteenlopen van de stad Rotterdam tot de provincie Zeeland en alles er tussenin. Wat partijen onder ‘regio’ verstaan, bepalen ze zelf.” In de voortgangsrapporten aan de Tweede Kamer wordt gewerkt met een ‘volgspot’: regionale partijen bewegen zelf, het Zorgpact bespreekt hun ambities op intervisieachtige wijze.

Om regio’s de ruimte te geven om tot ontwikkeling te komen, zet het Zorgpact ook in op ‘Ruimte in de regels’. “Het is nu soms al zoeken wat wet- en regelgeving betreft, partijen zitten niet te wachten op nieuw beleid. Daarom hebben we voor ruim 50 vermeende dilemma’s in de regio gekeken in hoeverre zaken echt niet mogelijk zijn. Mag onderwijs bijvoorbeeld geëxtramuraliseerd worden naar de plek waar de zorg plaatsvindt? Dan blijkt er meer te kunnen dan je denkt. Het fysiek samengaan van onderwijs en zorg blijkt goed mogelijk, zo worden in Alkmaar jonge mbo’ers in ziekenhuizen opgeleid.”

Technische dienstverlening
Nu technologie het zorgveld ingrijpend verandert, worden er tevens heel andere eisen gesteld aan de professional. “Een bestuurder zei ooit: ‘het ziekenhuis wordt meer en meer een werkplaats voor technische ingrepen, de zorg gaat het ziekenhuis uit naar de wijk. Dat betekent dat er minder zorgpersoneel en meer goed opgeleide technici nodig zijn. Het onderwijs speelt al in op die verandering in beroepen, onder meer met een opleiding Zorgtechnologie”, aldus Terpstra. Andere ontwikkelingen die een rol spelen in de professionele zorg en de thuisomgeving, zijn robotisering en Internet of Things (IoT, het verbonden zijn van apparaten via internet).

Uneto-VNI haakt in op deze ontwikkeling met het certificaat van comfortinstallateur. Inmiddels zijn zo’n 40 bedrijven gespecialiseerd in domotica en smart home-toepassingen waarmee mensen langer in hun thuisomgeving kunnen blijven. “We zijn in gesprek met bijvoorbeeld Philadelphia om de mogelijkheden van dergelijke technische dienstverlening te onderzoeken. Want ook de installateur ontwikkelt zich meer en meer tot adviseur en kan een verbindende schakel zijn om doelstellingen op dit vlak binnen zorgorganisaties te realiseren.”

Intrinsieke motivatie
Om voldoende snelheid te kunnen maken, moeten zorginstellingen voldoende adaptief zijn. “Momenteel wordt nog te veel uitgegaan van de eigen winkel. Maar ‘ik en mijn ziekenhuis’ moet veranderen in ‘wij en onze omgeving’. Zorgorganisaties werken in het publieke domein, met publiek geld en hebben een publieke opdracht en die luidt: samenwerken”, aldus Terpstra. Het bedrijfsleven kan hierbij als voorbeeld dienen. “Daar zie je veel meer voorbeelden van innovatieve samenwerking en nieuwe businessmodellen, met een grotere opbrengst voor alle partijen. Die manier van denken zit nog niet in de wereld van zorg & welzijn. Die is te weinig innovatief en te weinig disruptief. Je ziet weliswaar mooie initiatieven, maar die hebben nog te weinig massa, terwijl dat wel noodzakelijk is.”

Terpstra kijkt dan ook met enige zorg naar het nieuwe regeerakkoord. “Ik ben bang dat als er potten geld voor de ouderenzorg beschikbaar komen, organisaties terugvallen op hun oude reflex en de prille innovatie loslaten”, zegt hij. “Vandaar dat ik ook probeer de Haagse omgeving mee te nemen in dit verhaal. Mijn advies: bevestig de regionale aanpak met middelen voor samenwerking en stap af van de lumpsumbenadering, want die geeft een perverse prikkel. Hoewel de zorg een politiek gevoelig onderwerp is en het vaak over geld gaat, is geld is niet de oplossing. De politiek moet de regio’s faciliteren en voortbouwen op de intrinsieke motivatie van betrokken partijen. En professionals moeten de grenzen van de kaders opzoeken om hun maatschappelijke doelstellingen te verwezenlijken. Die bottom-up benadering biedt kansen voor inclusiviteit.”

Tekst: Wilma Schreiber

Bron: FMT Gezondheidszorg