De kennis van de directe oorzaken van beroepsziekten is gegroeid, hoewel het kennisniveau per sector verschilt.
Dat is een van de conclusies van het beleidsonderzoek naar mogelijkheden voor beleidsintensivering voor de preventie van beroepsziekten, dat Panteia en VHP in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uitvoerden.
De focus van het onderzoek lag op het in kaart brengen van factoren en instrumenten ter preventie van beroepsziekten. Voor dit onderzoek zijn verschillende onderzoeksfasen doorlopen. Er zijn 18 diepte-interviews gehouden met brancheorganisaties en partijen die kennis hebben van beroepsziekten.
Uit de interviews komt een zeer gevarieerd beeld naar voren van het kennisniveau van werkgevers met betrekking tot arbeidsrisico’s. De experts zijn het erover eens dat over het algemeen de kennis van de directe oorzaken van beroepsziekten gegroeid is. Of dit kennisniveau ook voldoende is om effectieve preventieve maatregelen te kunnen nemen, is moeilijk te zeggen. Wel is duidelijk dat het kennisniveau per sector verschilt: sommige brancheorganisaties zijn zeer actief op het gebied van kennisverspreiding over risico’s en preventie en slagen erin de werkgevers te bereiken.
Over het algemeen worden grote bedrijven beter ondersteund in hun kennisbehoefte dan kleinere bedrijven, vanwege een interne arbodienst of deskundige HRM-afdeling. Vermoedelijk verschilt het per bedrijf in welke mate die kennis de werkvloer ook bereikt. Dit is van belang omdat kennis van risico’s voor werknemers noodzakelijk lijkt te zijn om de verplichte voorzorgsmaatregelen daadwerkelijk te nemen. Op het moment dat zij het verband tussen voorzorgsmaatregelen en risico’s niet zien, zullen zij minder geneigd zijn de maatregelen in acht te nemen.
Naast kennis van de directe oorzaken is het een vereiste dat werknemers weten welke maatregelen zij kunnen, dan wel moeten, nemen om zichzelf te beschermen. Er is twijfel of werknemers voldoende geëquipeerd zijn om met de risico’s die zij in de dagelijkse praktijk tegenkomen om te gaan. Een respondent illustreert dat als volgt: “Hoeveel bouwvakkers weten dat werken met zand gevaarlijk kan zijn? Laat staan dat ze weten wat ze eraan kunnen doen”.
Werkgevers en werknemers zijn de belangrijkste partijen om preventie op de agenda te zetten, omdat zij de primaire belanghebbenden zijn. Het kan voor individuele werknemers moeilijk zijn om preventiebeleid te agenderen. Een werknemersorganisatie zoals de OR kan dit vaak wel. Soms zijn er individuele werknemers die als aanjager fungeren, omdat zij normoverdragend zijn richting collega’s en zich hard maken voor het onderwerp. Ook een afdeling HRM kan de belangen van werknemers inventariseren en preventiebeleid faciliteren. Daarnaast kunnen partijen van buitenaf, zoals een brancheorganisatie, het onderwerp aankaarten.
De agendering van het onderwerp moet ertoe leiden dat preventiebeleid geïntegreerd wordt in de bedrijfscultuur. Preventie wordt het meeste bevorderd wanneer de verschillende elementen van de bedrijfscultuur in dienst staan van de gezondheid van werknemers. Verantwoordelijkheid en autonomie geven aan medewerkers neemt daarbinnen een prominente plaats in. De balans tussen werkgevers- en werknemersverantwoordelijkheid is echter bedrijfsspecifiek: waar volledige verantwoordelijkheid voor werknemers in het ene bedrijf wel haalbaar en werkbaar is, hoeft dat niet voor een ander bedrijf te gelden. Het vergt om die reden van de werkgever intrinsieke motivatie en een goede bedrijfsanalyse om preventiebeleid te ontwikkelen dat past binnen het bedrijf en goed aansluit op de werkvloer.
Henk van der Molen
Bron: Beroepsziekten.nl / AMC