Een hiv-geïnfecteerde vrouw moet tijdens de zwangerschap hiv-remmers gebruiken om te voorkomen dat het virus wordt overgedragen op haar kind.
Onderzoeker Angela Colbers van het Radboudumc ontdekte dat de zwangerschap een groot effect heeft op de hoeveelheid remmers in het bloed. Nieuwe medicatie wordt nu nauwelijks bij zwangere vrouwen getest. Colbers pleit ervoor dit te veranderen. 30 oktober hoopt ze op haar onderzoek te promoveren.
Om te voorkomen dat het aidsvirus van een geïnfecteerde moeder tijdens de zwangerschap wordt overgedragen op haar kind, moet de vrouw hiv-remmers slikken. Zonder behandeling is de kans op overdracht dertig tot veertig procent, met behandeling minder dan twee procent. Tijdens de zwangerschap breekt het lichaam medicijnen vaak sneller af. Er wordt echter weinig onderzoek gedaan naar de concentratieverandering van medicijnen in zwangere vrouwen. Colbers onderzocht de concentraties van verschillende hiv-remmers in het bloed van zwangere vrouwen en ontdekte dat die bij hen gemiddeld vijfentwintig procent lager liggen.
Dosis
Tijdens het onderzoek bij de zwangere vrouwen waren niet direct aanpassingen in de voorgeschreven dosis nodig. Colbers: “In de praktijk zal dat mogelijk anders liggen. Binnen het onderzoek zorgen wij ervoor dat medicatie op tijd wordt ingenomen en indien nodig met voedsel. Bij sommige medicatie is dat namelijk noodzakelijk voor een goede werking. Als er geen complicerende factoren zijn, kan de meeste medicatie in de normale dosis worden gebruikt. Maar als medicatie zonder voedsel ingenomen wordt, af en toe wordt vergeten, of als er co-medicatie wordt gebruikt die invloed heeft, kan het wel tot verminderde effectiviteit leiden. Een mogelijk gevolg daarvan is dat de behandeling faalt, er hiv wordt overgedragen op het kind en het virus resistent raakt.”
Placenta passeren
Colbers voerde haar onderzoek uit binnen PANNA, een Europees netwerk van ziekenhuizen. Naast de concentratieverandering, onderzocht ze of de middelen via de placenta het ongeboren kind bereiken. Dat bleek voor de meeste middelen inderdaad zo te zijn. Colbers: “Voor deze klasse medicijnen is dat een voordeel. De meeste middelen richten voor zover bekend geen schade aan bij de foetus, en het zorgt ervoor dat er al medicatie aanwezig is in het kind tijdens de geboorte. Daardoor wordt de kans op infectie bij contact met het bloed van de moeder veel kleiner.”
Meer onderzoek bij vrouwen
De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in de nieuwste internationale richtlijnen voor de behandeling van hiv geïnfecteerde vrouwen. Daarnaast pleit Colbers voor meer medicijnonderzoek bij zwangere vrouwen. “Om ethische redenen wordt tijdens de ontwikkeling van een medicijn geen onderzoek gedaan bij zwangere vrouwen.  Als een middel op de markt komt wordt het echter vaak wel door hen gebruikt. In het geval hiv is het zelfs noodzakelijk dat zwangere vrouwen hiv-remmers gebruiken om de overdracht van hiv op het kind te voorkomen. Desondanks worden deze medicijnen in de ontwikkelingsfase niet getest in zwangere vrouwen. Ik vind dat daar verandering in moet komen”, zegt Colbers. In de Kennisagenda Gender en Gezondheid die eerder dit jaar werd gepresenteerd, wordt geconcludeerd dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in onderzoek met nieuwe medicijnen. Dit leidt tot een tekort aan kennis, die de kwaliteit van de zorg voor vrouwen in de weg kan staan. Diagnoses, behandelingen en medicatie zijn soms minder effectief voor vrouwen en leiden tot meer bijwerkingen. “Dit geldt in nog belangrijker mate voor zwangere vrouwen, zij worden immers altijd uitgesloten van klinische trials.”