Het kabinet schrapt een deel van nieuwe zzp-wetgeving die al in de Tweede Kamer lag. Het gaat om het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). In de toekomst zal een nieuwe Zelfstandigenwet de beoordeling van schijnzelfstandigheid regelen. Daarin is niet zozeer de aard van het werk, maar de arbeidsrelatie het kerncriterium.
Het kabinet schrapt het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Dat deel verduidelijkt wanneer iemand daadwerkelijk als zelfstandige werkt of eigenlijk werknemer is. Daarbij gold de aard van het werk, en de inbedding ervan in de werkorganisatie, als belangrijkste criterium. Dat verduidelijkingsdeel had te weinig draagvlak en zorgde voor teveel onrust, aldus minister Aartsen van Werk en Participatie.
Beoordelingscriterium
Dat is op zich geen nieuws. Bij de indiening van de wet, door minister van Sociale Zaken Van Hijum (NSC) in het vorige kabinet, was er al kritiek op het genoemde beoordelingscriterium bij VVD, D66, CDA en SGP. Zij vonden dat het belangrijkste beoordelingscriterium van wetsvoorstel, de aard van het werk dat ze zzp’er doet, te beperkend voor de zelfstandigen. De criticasters ontwikkelden een schaduwwet, Zelfstandigenwet genoemd, waarbij de aard van de werkrelatie het primaire beoordelingscriterium zal zijn. De huidige minister Van Aartsen speelde daar een belangrijke rol en in schuift nu die Zelfstandigenwet voor de Vbar.
Uitbuitingspreventie blijft overeind
Schijnzelfstandigheid is om twee hoofdredenen een maatschappelijk probleem. De meeste aandacht gaat doorgaans uit naar de uitholling van het sociaal stelsel doordat zzp’ers niet meebetalen aan werknemersverzekeringen. Een tweede probleem is dat met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt de inzet van zzp’ers nogal eens samengaat met uitbuiting. Ook daartegen moest de Vbar het wettelijk instrument worden, met het onderdeel ‘Rechtsvermoeden’. Dat deel van de Vbar blijft nu als enige overeind. Dat deel Rechtsvermoeden geeft zzp’ers met een uurtarief tot 38 euro (peildatum 1 januari 2026) een sterkere rechtspositie. Als een laagbetaalde zzp’er bij de rechter een beroep doet op het rechtsvermoeden, moet de opdrachtgever aantonen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kan die dat niet aantonen, dan is er sprake van schijnzelfstandigheid.
Handhaving wet DBA blijft
In Nederland werken bijna 1,2 miljoen mensen als zzp’er, waarvan ongeveer 150.000 in de zorg. Daarvan werkt zeker een deel als zzp’er, terwijl er eigenlijk geen sprake is van zelfstadig ondernemerschap. Sinds 2016 moet de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) dat tegengaan, maar onder druk van de markt (zowel van de kant van opdrachtgevers als zzp’ers) startte de handhaving van die wet pas in 2025, en dan nog zonder direct de uiterste consequenties van overtreding toe te passen. De onrust over die handhaving vond zijn oorzaak in het gebrek aan scherpe afbakening van het begrip, en in de angst dat grote aantallen zzp’ers sectoren met grote personeelstekorten, zoals de zorg, zouden verlaten. Dat laatste is in 2025 maar in beperkte mate gebeurd.
De actievere handhaving van de wet DBA om schijnzelfstandigheid tegen te gaan blijft onveranderd.
Zelfstandigenwet
De invoering van de Zelfstandigenwet is in het Coalitieakkoord van het kabinet Jetten vastgelegd. De wet is er nog niet; de schaduwwet van de oppositie in de vorige kabinetsperiode moet nog uitgewerkt worden in een wetsvoorstel. Het kabinet meldt daar de komende tijd hard mee aan de slag te gaan.










