Digitale preventie en behandeling van psychische problemen, ook wel eMental-health genoemd, lijkt algemeen goed geworden.
Het belooft psychologische hulpverlening beter, slimmer, goedkoper en toegankelijker te maken. Maar heeft het die voorspelling al waargemaakt? Deze vraag beantwoordt Heleen Riper in haar oratie 3 september in de aula van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Riper en haar collega’s toonden met hun (internationale) onderzoek overtuigend aan dat preventie en behandelen op afstand, bijvoorbeeld via cognitieve gedragstherapie, mogelijk en effectief is voor bijvoorbeeld depressie en problematisch alcoholgebruik. Zelfs digitale zelfhulp zonder tussenkomst van een hulpverlener kan symptomen en klachten verbeteren en digitale therapie lijkt even goed te werken als reguliere face-to-face therapie. Toch blijkt ook uit hun onderzoek dat eMental-health nog niet tot de verwachte ‘killer app’ of ‘disruptieve innovatie’ in de GGZ heeft geleid. Digitale hulp werkt niet voor iedereen maar het is nog onduidelijk voor wie wel en voor wie niet, en ook blijkt het klinisch niet beter dan face-to-face therapieën.
Verre van optimaal
Verder is de inbedding in de dagelijkse GGZ praktijk nog verre van optimaal en vragen patiënten niet massaal om digitale therapieën voor hun depressie of angststoornis. Is het slechts een kwestie van tijd of moeten we rigoureus andere wegen inslaan met het onderzoek naar eMental-health? Riper denkt het laatste. Zij vertelt over onderzoek dat nodig is om daadwerkelijk het eMental-health potentieel ten volle te benutten. Riper bespreekt drie onderzoekslijnen die gezamenlijk en in interactie met elkaar een bijdrage kunnen leveren aan het vergroten van de werkzaamheid, toegankelijkheid en patiënttevredenheid van digitale therapieën.
Het onderzoek naar personaliseren gaat er vanuit dat individuele patiëntkenmerken meegewogen moeten worden in het voorspellen van het succes van digitale interventies voor de individuele patiënt. Deze patiëntkenmerken variëren van genetische, biologische, psychologische tot omgevingsfactoren. Deze kenmerken worden steeds vaker onderzocht met smartphones en draadloze sensoren die zowel subjectieve als meer objectieve kenmerken kunnen meten bij en door patiënten zelf thuis of waar zij zich dan ook bevinden. Riper richt zich daarbij specifiek op het ‘digitale fenotype’. Dit fenotype verwijst naar de wijze waarop een persoon zich digitaal manifesteert bijvoorbeeld op sociale media. Zij onderzoekt of digitale fenotypes een indicatie kunnen geven van (beginnende) psychische problemen. Daarnaast onderzoekt Riper de relatie tussen digitale fenotypen en behandeluitkomst van digitale behandeling.
De tweede onderzoekslijn van Riper en haar team richt zich op het vergroten van het engageren van patiënten zowel bij de ontwikkeling van als de uitvoering van digitale therapieën én het onderzoek hier naar, bijvoorbeeld via ‘gamification’ en ‘geautomatiseerde coaches’.
Ten derde richt zij zich op het versterken van de verbinding tussen de GGZ-praktijk en het eMental-health onderzoek. Het accent ligt hierbij op het vergroten van onze kennis om digitale interventies succesvol te implementeren in de reguliere GGZ-praktijk. Hoe kunnen nieuwe inzichten in de praktijk ingezet worden en hoe kan kennis en ervaring uit de praktijk bijdragen aan het onderzoek.