Immunotherapie wordt de laatste jaren steeds vaker ingezet om kankercellen op te ruimen.
Een van de eerste successen op dit gebied is geboekt bij een voorstadium van schaamlipkanker: ongeveer 50 procent van de patiënten heeft baat bij deze vorm van immunotherapie. Dr. Edith van Esch (Gynaecologie) vroeg zich af waarom de immunotherapie bij de andere helft minder goed aanslaat. Zij heeft het afweersysteem van deze patiënten onderzocht om tot een antwoord te komen. Dinsdag 1 december promoveerde ze aan het LUMC op dit onderzoek.
Schaamlipkanker is een zeldzame vorm van kanker – het wordt jaarlijks bij ongeveer vierhonderd vrouwen in Nederland vastgesteld – en kan op meerdere manieren ontstaan. Eén van die varianten wordt veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV), een seksueel overdraagbaar virus dat premaligne afwijkingen, oftewel voorstadia van kanker, kan veroorzaken op de schaamlippen, maar ook in de baarmoedermond en het hoofd- en halsgebied.
Een dergelijk voorstadium, dat kan leiden tot schaamlipkanker, heet vulvaire intra-epitheliale neoplasie (VIN). De ziekte kan ontstaan wanneer het immuunsysteem er langere tijd niet in slaagt HPV op te ruimen en brengt dikwijls klachten als pijn, jeuk en een branderig gevoel met zich mee. Onbehandeld ontwikkelt 10 procent van de vrouwen met VIN schaamlipkanker. Momenteel is een chirurgische ingreep vaak noodzakelijk, met beschadigingen aan de schaamlippen als gevolg. Bovendien is de kans dat de aandoening na zo’n ingreep terugkomt behoorlijk groot. Een alternatief is dus wenselijk.
Immunotherapie succesvol
Dr. Edith van Esch (Gynaecologie) doet, onder begeleiding van dr. Mariëtte van Poelgeest (Gynaecologie) en prof. Sjoerd van der Burg (Klinische Oncologie) in samenwerking met de afdeling Pathologie, onderzoek naar deze aandoening en de behandeling ervan. “Wat een door een infectie veroorzaakte vorm van kanker relatief goed behandelbaar maakt, is het immunogene karakter ervan.” We dragen immers een remedie tegen een virus bij ons: het afweersysteem. Er zijn al verschillende vormen van immunotherapie tegen VIN succesvol gebleken. “Daarmee is VIN een van de eerste van dergelijke aandoeningen waarbij klinische successen zijn geboekt met immunotherapie”, vertelt Van Esch.
Crème
In 2009 is een vaccin tegen de belangrijkste typen HPV opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma, maar patiënten die al geïnfecteerd zijn met HPV hebben weinig aan dit zogenoemde profylactische (beschermende) vaccin. Een mogelijke uitkomst voor hen is een therapeutisch (behandelend) vaccin, waarvan meerdere varianten zijn ontwikkeld, onder meer door het LUMC. Een andere behandelmethode is het toedienen van een crème op de huid, die de lokale afweer beïnvloedt. Beide vormen van immunotherapie zijn effectief, zeker als ze in combinatie gebruikt worden: bij ongeveer de helft van de vrouwen wordt een gunstige afweerreactie opgewekt, waardoor VIN verdwijnt.
Onderdrukking van het afweersysteem
Maar waarom niet bij alle patiënten, vroegen Van Esch en haar collega’s zich af. Om tot een antwoord te komen bracht de promovenda bij VIN-patiënten in het LUMC het afweersysteem in kaart. Het verschil lijkt te zitten in de mate van onderdrukking van het afweersysteem. “Bij patiënten met een weinig of niet actieve afweer in de VIN-laesie en in het bloed komt de afwijking snel terug of kan er schaamlipkanker ontstaan. Dit heeft waarschijnlijk ook invloed op de effectiviteit van de behandeling”, aldus Van Esch. Bij sommige patiënten zijn deze problemen daardoor moeilijker te verhelpen dan bij anderen. Hoe die verschillen in afweerreacties ontstaan is niet altijd duidelijk.
Gecombineerde immunotherapie
Van Esch denkt dat patiënten met een onderdrukt afweersysteem baat hebben bij een gecombineerde immunotherapie, waarbij zowel in de afwijking zelf als in het bloed het immuunsysteem geactiveerd wordt: eerst lokaal crème aanbrengen en vervolgens een therapeutisch vaccin toedienen om de gehele lichamelijke afweer te verbeteren. Het viel Van Esch op dat het immuunsysteem een veel betere reactie gaf bij een premaligne VIN-stadium dan wanneer er al kanker is ontstaan.  “Om het succes van immunotherapie te vergroten kun je die misschien beter al geven voordat VIN zich ontwikkelt tot een carcinoom. Dan is de verminderde werking van het immuunsysteem vaak moeilijker te repareren en werkt de therapie waarschijnlijk minder goed.”
Maar allereerst is vervolgonderzoek essentieel, benadrukt Van Esch. “We willen dit onderzoek herhalen bij een groep met immunotherapie behandelde patiënten, om de resultaten te kunnen bevestigen. Uiteindelijk hopen we met deze kennis de behandeling te kunnen optimaliseren en individualiseren.”
Edith van Esch promoveerde op 1 december op het proefschrift  Clinical implications of immunecell infiltration in vulvar intraepithelial neoplasia.