In Amerikaans onderzoek geeft bijna de helft van de mensen aan dat verlies van het gezichtsvermogen de grootste impact op hun dagelijks leven zou hebben.
Hetzelfde onderzoek toont aan dat verlies van gezichtsvermogen als even ernstig wordt ervaren als het krijgen van kanker, AIDS of Alzheimer. Toch is er relatief weinig geld beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek, stelt Anneke den Hollander tijdens haar oratie als hoogleraar Moleculaire Oogheelkunde in het Radboudumc. Voor haar eigen vakgebied – de leeftijdsgebonden maculadegeneratie – laat ze zien hoe belangrijk dat onderzoek is voor het vinden van een behandeling.
Ongeveer 100.000 mensen in Nederland hebben last van leeftijdsgebonden maculadegeneratie (LMD), een aantasting van de macula (gele vlek) die meestal op latere leeftijd ontstaat. Gedurende het leven krijgt 1 op de 3 mensen te maken met de aandoening, waarbij het centrale zicht in een of beide ogen wordt aangetast. Zeker bij beide ogen is dat sterk invaliderend, zegt Anneke den Hollander: “Mensen kunnen geen krant meer lezen, geen auto meer rijden, ze herkennen vrienden en bekenden niet meer op straat, ze worden afhankelijk van anderen en hebben moeite om de sociale contacten te onderhouden.”
Lekkende bloedvaatjes
Er zijn grofweg twee varianten van LMD. Tachtig procent van de patiënten heeft een droge vorm van LMD, waarbij de schade aan het netvlies geleidelijk ontstaat door ophoping van vetten en eiwitten in het netvlies. Hiervoor bestaat (nog) geen behandeling. De resterende twintig procent heeft natte LMD, die ontstaat door de groei van kleine bloedvaten in het netvlies. Die vaatjes kunnen gaan lekken en bloeden, waardoor plotseling gezichtverlies ontstaat. De groei (en bloeding) van de bloedvaatjes kan worden tegengegaan door regelmatig een groeiremmend medicijn (anti-VEGF) in het oog te spuiten.
Den Hollander: “We weten dat roken en overmatig alcoholgebruik de kans op LMD verhogen en beweging en een allergie juist een beschermend effect hebben. Maar vooral dankzij genetisch onderzoek zijn we de afgelopen jaren veel wijzer geworden. In een groot internationaal onderzoek bij meer dan 16.000 patiënten vonden we 34 genen die stuk voor stuk de kans op LMD kunnen verhogen. Zo geeft een variant in het CFH gen een driemaal hogere kans op LMD, terwijl een variant in het CFI gen die kans wel twintig keer verhoogt.”
Precision Medicine
Genen vormen de blauwdruk voor eiwitten. Die eiwitten zijn de arbeiders in de cel; zij verrichten het eigenlijke werk. Den Hollander: “Een groot deel van die 34 genen en bijbehorende eiwitten is betrokken bij drie belangrijke processen in het lichaam, namelijk het complementsysteem, de vethuishouding en de extracellulaire matrix. Het complementsysteem is een deel van het afweersysteem, dat ons lichaam beschermt door zieke cellen lek te prikken. CFH en CFI zijn eiwitten die voorkomen dat het complementsysteem te actief wordt en zo eigen weefsel beschadigd. Bij LMD werken deze eiwitten niet goed, wat de grotere kans op netvliesschade misschien verklaart. Daarnaast zijn in het bloed van patiënten met LMD sommige vetten in iets hogere concentraties aanwezig. Door onderzoek te doen naar deze processen proberen we steeds meer grip te krijgen op deze complexe ziekte.”
Ondanks alle beschikbare kennis blijft het moeilijk om te voorspellen wie LMD krijgt. Mensen die op basis van de bekende omgevings- en genetische factoren een verhoogd risico hebben krijgen niet altijd LMD, terwijl sommige mensen met een laag risico juist wel LMD ontwikkelen. Biedt een voorspellende genetische test via internet uitkomst? “Niet echt”, zegt Den Hollander. “De tests geven in twintig procent van de gevallen een tegenovergestelde uitkomst. Bovendien zijn de meeste tests inmiddels door de Amerikaanse keuringsdienst FDA verboden.”
DubbelBlind
Meer kennis is onontbeerlijk om uiteindelijk iedere patiënt een behandeling op maat aan te kunnen bieden. De eerste stappen naar zo’n ‘Precision Medicine’ worden al wel gezet. Den Hollander: “Bepaalde voedingssupplementen, zoals zink, verlagen de activiteit van het complementsysteem. Er is ook al een medicijn in ontwikkeling dat vooral effectief lijkt bij patiënten met een specifieke variant in het CFI gen. Onze afdeling wil graag een bijdrage leveren aan het ontwikkelen en toepassen van dergelijke behandelingen op maat.”
Voor oogonderzoek is in Nederland echter minder dan twee miljoen per jaar beschikbaar. Den Hollander: “De Hartstichting geeft bijvoorbeeld 57 miljoen euro uit aan wetenschappelijk onderzoek, de Nierstichting 19 miljoen. Terwijl uit Amerikaans onderzoek blijkt dat 45 procent van de mensen verlies van het gezichtsvermogen als grootste impact op het dagelijks leven ervaart. Meer financiële armslag voor oogonderzoek zou mooi zijn. Ik hoop dat de onlangs opgerichte Stichting NietBlind, met Daley Blind en Danny Blind als ambassadeurs, daar mede vorm aan kan geven.”