Van alle middelbare scholieren in Nederland met ADHD-medicatie, slikt naar schatting een op de vijf een middel als methylfenidaat om niet-medische redenen.
Ze doen dit om bijvoorbeeld om de schoolprestaties te verbeteren, tijdens examenperiodes. Ook het verminderen van stress, beter contact kunnen maken, je lekkerder of high voelen zijn redenen voor het niet-medisch gebruik van deze middelen. Dit blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht, waarover het Pharmaceutisch Weekblad deze week bericht. Exacte cijfers over het niet-medisch gebruik van ADHD-geneesmiddelen onder middelbare scholieren in Nederland zijn er volgens de onderzoekers niet.
Het onderzoek naar het gebruik van stimulerende middelen door middelbare scholieren, zoals ADHD-geneesmiddelen, drugs en alcohol, werd vorig jaar uitgevoerd op zes scholen in de provincie Utrecht. In totaal vulden 777 jongeren in de leeftijd van 11 tot 19 jaar een online vragenlijst in.
11.000 ‘recreatieve’ gebruikers
Hiervan gebruikte 6 procent ADHD-medicatie. Negen gebruikers gaven aan de medicatie niet op recept van een arts te hebben gekregen. Extrapolatie van deze cijfers naar middelbare scholieren in heel Nederland, leidt tot mogelijk 11.000 ‘recreatieve’ gebruikers van ADHD-geneesmiddelen, wat neerkomt op 20 procent van alle gebruikers, aldus onderzoekers dr. Ellen Koster, Lydia de Haan, prof. Marcel Bouvy en dr. Rob Heerdink. Het percentage niet-medische gebruikers in Nederland is waarschijnlijk nog hoger, wanneer ook naar volwassenen en jongere kinderen gekeken wordt.
Gebruik aanzienlijk gestegen
Het gebruik van medicatie voor ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) is de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen onder zowel kinderen en tieners als volwassenen. De stoornis wordt gekenmerkt door concentratieproblemen, onrust (zowel geestelijk als lichamelijk) en impulsief gedrag. Patiënten worden behandeld met stimulantia om zich beter te kunnen concentreren op school en om rustiger te worden, waardoor ze minder snel worden afgeleid en minder behoefte hebben om op zoek te gaan naar stimulerende impulsen.
Bron en foto: Universiteit Utrecht