Door MRI-scans en microscopische plaatjes van de hersenen van overleden mensen met MS te combineren wordt duidelijk welke afwijkingen wel en welke niet zichtbaar zijn op MRI-scans. Dit blijkt uit het proefschrift van neurowetenschapper Laura Jonkman waarop zij 17 februari promoveert. Ze gebruikte hiervoor hersenweefsel van overleden MS-patiënten en MRI-beelden op verschillende veldsterkten. Jonkman pleit voor extra training van MRI-beoordelaars (zoals radiologen en wetenschappelijk onderzoekers) opdat zij de MRI-technieken beter kunnen inzetten bij MS-patiënten.

Voor het stellen van de diagnose MS maken de meeste ziekenhuizen gebruik van MRI-scanners met een magnetische veldsterkte van 1,5 en soms 3 Tesla. Daarnaast wordt er voor onderzoeksdoeleinden ook 7 Tesla gebruikt. Uit één van de studies van Jonkman blijkt dat met 7 Tesla MRI meer laesies (karakteristieke MS-afwijkingen in de hersenen) gevonden kunnen worden dan op 3 Tesla MRI. Ze kwam tot deze conclusie door MRI-beelden te vergelijken met microscopische plaatjes – die alleen gemaakt kunnen worden van de hersenen van overleden mensen met MS. Op deze microscopische plaatjes kan een laesie met zekerheid vastgesteld worden en teruggezocht worden op de MRI-beelden. Zo wordt duidelijk wat de MRI-scan wél en niet kan laten zien in de hersenen van levende mensen met MS.

70% gemist
In een vervolgstudie werden MRI-beelden van dezelfde (7 Tesla) veldsterkte beoordeeld op afwijkingen (laesies). Zonder microscopische informatie werd slechts 30% van de laesies herkend, 70% van de laesies werd dus gemist. Wanneer de microscopische informatie naast de MRI-scan werd gelegd, kon in totaal 84% van de afwijkingen toch gevonden worden op MRI. Jonkman laat hiermee zien dat de mogelijkheid tot het opsporen van afwijkingen bij mensen met MS aanwezig is, maar dat deze nog niet altijd volledig wordt benut. Extra trainen van MRI-beoordelaars zou tot beter gebruik van deze mogelijkheden kunnen leiden.

Bron: VUmc