VWS en VenJ hebben het onderzoeksrapport ‘Therapeutische castratie en andere psychiatrische behandelingen van zedendelinquenten 1920-1970’ aangeboden aan de Tweede Kamer.
VWS gaf ZonMw in 2012 opdracht dit historisch onderzoek uit te voeren naar aanleiding van Kamervragen over het rapport van de Commissie Deetman en twee hoorzittingen over berichtgeving over castratie in de NRC.
De vraag die in dit onderzoek wordt beantwoord is: hoe werden in Nederland tussen 1920 en 1970 plegers van seksueel misbruik van minderjarigen (en breder zedendelinquentie) beoordeeld en behandeld in de (forensische) psychiatrie? Het historische onderzoek is uitgevoerd door een onderzoeksgroep van het departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis van de Universiteit Utrecht onder leiding van prof. dr. Vijselaar.
Therapeutische castratie tussen 1930 en 1968
In Nederland werd tussen 1930 en 1968 in de (forensische) psychiatrie therapeutische castratie toegepast bij perversie en zedendelinquentie. De behandeling werd geaccepteerd als een gewone, zij het ingrijpende therapie. Vooraanstaande psychiaters, strafrechtsgeleerden, de rechterlijke macht en het ministerie van Justitie aanvaardden deze behandeling. Deze aanvaarding had als achtergrond de onmacht van zowel het strafrecht als de psychiatrie om zedendelinquentie in te perken en te behandelen. Castratie gold als ‘laatste redmiddel’ en werd alleen ingezet als andere therapieën geen resultaat opleverden.
Aantallen
Het totale aantal therapeutische castraties dat in Nederland is uitgevoerd is niet vast te stellen. Tussen 1921 en 1968 zijn met zekerheid 540 therapeutische castraties gedocumenteerd. Dat zijn er 140 meer dan tot nu toe werd aangenomen. Hiervan zijn 384 castraties uitgevoerd bij TBR-verpleegden. Daarnaast heeft een nog onbekend aantal therapeutische castraties in samenhang met de strafvervolging van zedendelinquenten en buiten het strafrecht plaatsgevonden.
In de meerderheid van onderzochte gevallen van therapeutische castratie ging het om plegers van ontucht met minderjarigen. Een aanzienlijk deel van de plegers leed aan een meer of minder ernstige beperking van de verstandelijke vermogens. In de meeste gevallen ging het om recidivisten, bij wie andere behandelingen ineffectief waren gebleken. Zedendelinquenten die in aanraking kwamen met het strafrecht vroegen soms zelf om de ingreep.
Strikte voorwaarden
Met het oog op de ernst en onomkeerbaarheid van de ingreep werd deze in beginsel alleen onder strikte voorwaarden uitgevoerd: de betrokkene moest ouder zijn dan 25 jaar, andere therapieën hadden geen resultaat en de betrokkene moest vrijwillig voor de behandeling kiezen.
Bij de mate van vrijwilligheid kunnen overigens vraagtekens worden geplaatst wanneer nog vóór of tijdens een strafrechtelijke procedure tot een ingreep werd besloten met het oog op het ontgaan van een veroordeling. Hoewel er tegen deze gang van zaken bezwaren werden ingebracht, blijkt dit zeker tot de vroege jaren vijftig staande praktijk te zijn geweest. Bovendien kozen TBR-gestelden soms uitdrukkelijk voor de behandeling in de hoop eerder uit de instelling ontslagen te worden.
Verdwijnen van chirurgische castratie
Na ongeveer 1960 vond een omslag plaats, wel gekarakteriseerd als een ‘seksuele revolutie’. Gelijktijdig werd de vervolging van zedendelinquenten gematigder en verminderde het aantal zedendelicten in de statistieken. Daarnaast kregen psychiaters de beschikking over veelbelovende, minder ingrijpende behandelmethoden, zoals medicatie (psychofarmaca en libidoremmers) en nieuwe vormen van psychotherapie. Hierdoor nam het aantal zedendelinquenten in TBR-instellingen sterk af. Vanaf 1968 zijn er in Nederland geen chirurgische castraties meer voor deze indicatiestelling uitgevoerd.