Rechters moeten beter rekening kunnen houden met de rol van psychiatrische stoornissen bij straf en behandeling van verdachten.
In de toekomst kunnen hersenscans en mobiele technieken helpen om verdachten te beoordelen op toerekeningsvatbaarheid en om herhaling te voorkomen. Dat betoogt hoogleraar Forensische psychiatrie Robbert-Jan Verkes in zijn oratie 24 september aan de Radboud Universiteit.
Volgens Robbert-Jan Verkes is het huidige strafrecht nog steeds teveel gebaseerd op principes van schuld en vergelding, zeker ook in zijn eigen vakgebied, de Forensische psychiatrie. ‘In het geval van psychiatrische daders draait het in de eerste plaats om toerekeningsvatbaarheid: zijn er verzachtende omstandigheden of schulduitsluitingsgronden die reden zijn tot strafverlaging?’ Zo niet, dan krijgen de daders het volle pond. Zijn er drugs in het spel? Dan volgt er zelfs een strafverzwaring.
Centraal zou echter moeten staan wat het beste is om de maatschappij veilig te maken, vindt Verkes. Dat betekent dus vooral het voorkomen van herhaling. ‘Strenger straffen is geen oplossing voor minder delicten in de toekomst, een veiligere samenleving, denken vanuit de stoornis van de dader, vanuit de oorzaak van zijn criminele gedrag, is dat wel.’
In de DSM of niet?
Maar wanneer is er sprake van een stoornis? De huidige rechtspraktijk lijkt daarbij uit te willen gaan van de DSM, het handboek voor psychische stoornissen: als het niet in de DSM staat is het geen stoornis. Volgens Verkes is dat geen goede manier. ‘We moeten beter zicht krijgen op welke psychische stoornissen en disfuncties verdachten hebben, de DSM is daarbij geen geschikte leidraad. Het gaat om stoornissen in verschillende dimensies van functioneren, zoals een tekortschietende impulscontrole of gebrek aan inlevingsvermogen.’
Vervolgens is de vraag of die stoornissen gevaarlijk zijn en of ze behandelbaar zijn: ‘Als iemand bijvoorbeeld last heeft van stemmen die agressieve opdrachten geven, dan is dat vaak goed te behandelen met medicatie, en is het geen blijvende risicofactor, maar als iemand bijvoorbeeld van jongs af aan antisociaal gedrag vertoont, dan is dat meestal veel moeilijker te behandelen.’
De DSM belemmert regelmatig het zicht op deze functiestoornissen. ‘Neem een zaak van een tijdje geleden over een zedendelinquent met een verhoogd libido. Dit staat niet in het DSM, dus was er volgens de rechter geen sprake van een stoornis. De Hoge Raad heeft dit weliswaar genuanceerd, maar met zijn allen zijn wij de DSM-classificatie veel te belangrijk gaan vinden, als een realiteit in plaats van een hulpmiddel. Het gevaar bestaat zelfs dat de DSM een belemmering wordt om iemand de juiste behandeling te geven.’
Hersenscans en mobiele technieken
‘De belangrijkste vraag is uiteindelijk: kan iemand herstellen of niet?’ Op dit moment gebeurt de taxatie van het risico op een recidive op basis van iemands geschiedenis en gedragsonderzoek. Soms is het risico lastig te beoordelen. Volgens Verkes kan in de toekomst neurobiologisch onderzoek daar wellicht een uitkomst in bieden. ‘Neem het extreme geval van een afwijking in het brein. In de toekomst kan een hersenscan wellicht helpen bij het bepalen van een stoornis en het onderscheid maken tussen behandelbaarheid of onbehandelbaarheid van die stoornis.’
Verkes vermoedt bovendien dat technologie op termijn patiënten kan helpen om inzicht in hun gedrag te krijgen. Een hartslagmeter kan ze bijvoorbeeld bij verhoogde hartslag het signaal geven dat ze in een opwindingstoestand zijn. ‘Heel veel patiënten voelen dat zelf onvoldoende. Door situaties met ze na te spelen en ze via een smartwatch feedback te geven over hun stressniveau kunnen ze hun zelf-controle vergroten.’ Volgens Verkes zal zo’n persoonsgerichte aanpak ook een tot een beter management van de risico’s leiden.
Robbert-Jan Verkes (1959) is  sinds april 2014 bijzonder hoogleraar Forensische psychiatrie aan de Radboud Universiteit. Hij studeerde Geneeskunde en is opgeleid tot psychiater klinisch farmacoloog. Sinds 1998 is hij verbonden aan de afdeling Psychiatrie in het Radboudumc en sinds 2006 aan de Pompestichting, Centrum voor Forensische Psychiatrie in Nijmegen. Hij treedt ook op als deskundige in strafzaken. Zijn onderzoek spitst zich toe op behandelbaarheid van impuls- en agressieregulatie stoornissen en de inbreng van de neurowetenschappen binnen ons denken over toerekeningsvatbaarheid en risicomanagement.