De PSA-test om te screenen op prostaatkanker, mag een goed geïnformeerde patient niet worden onthouden.
Het informeren van patiënten die een PSA-test willen, blijkt in de praktijk nog onvolledig te gebeuren. Ook wordt er maar in de helft van de gevallen een rectaal toucher uitgevoerd voorafgaand aan het aanvragen van een PSA-test. Hierdoor is de arts niet volledig op de hoogte van de conditie van de prostaat en is de patiënt onvoldoende toegerust om een goede beslissing te nemen over of hij wel of niet gescreend wil worden. Dit blijkt uit onderzoek van uroloog Saskia van der Meer van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Huisartsen en niet-urologische medisch specialisten moeten meer uitleg geven en nog selectiever zijn bij het aanvragen van een PSA-test om te screenen op prostaatkanker. Zij promoveert op 21 oktober 2015 op haar proefschrift aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Het gebruik van de PSA-test is controversieel. Er is veel onduidelijk over het effect van de test en de medische richtlijnen verschillen onderling in hun adviezen, aanbevelingen en vervolgacties. Dit maakt de PSA-test geen ideaal middel voor screening op prostaatkanker en daardoor zijn huisartsen voorzichtig met het inzetten van de PSA-test voor dit doel.
In haar onderzoek laat Saskia van der Meer zien dat het initiatief voor een PSA-test, zowel van patiënt als (huis)arts kan komen. De patiënt wil de test vooral vanwege plasklachten en angst voor prostaatkanker. De informatievoorziening laat nog te wensen over. Patiënten zijn hierdoor niet goed in staat een goed geïnformeerde beslissing te nemen over het wel of niet laten screenen. Van der Meer pleit er dan ook voor om meer onderzoek te doen naar een manier waarop onpartijdige en uniforme informatie kan worden verstrekt en wat de effecten er van zijn op de tevredenheid van patiënten over hun keuzes.
Uit het onderzoek van Van der Meer blijkt ook dat het beleid na een PSA-test door huisartsen en niet-urologische medisch specialisten enorm varieert en niet in overeenstemming is met de richtlijnen. In plaats van follow-up voor een matig verhoogde PSA uitslag worden oudere patiënten en patiënten met comorbiditeit eerder gerustgesteld of überhaupt niet geïnformeerd over de uitslag, omdat deze groep patiënten mogelijk minder kans heeft op het ontwikkelen van een klinisch relevant prostaatcarcinoom. Door dit beleid wordt deze patiënten verdere testen met bijkomende mogelijke schade onthouden. Dit maakt echter het verrichten van het merendeel van deze PSA-testen discutabel.
De Prostaatwijzer is een risicocalculator van de SWOP (Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Prostaatkanker). Deze geeft een inschatting van het patiëntspecifieke risico op prostaatkanker. Van der Meer adviseert deze risico-calculator te valideren en algemeen te hanteren in de eerstelijns-gezondheidszorg. Patiënten kunnen dan eerder gerust gesteld worden en hebben minder angst bij een eventueel verhoogde PSA-test. Huisartsen kunnen hun patiënt beter adviseren over een eventueel vervolg. Bovendien kan het leiden tot minder verwijzingen en de daaropvolgende behandelingen.
Curriculum vitae
Drs. S. van der Meer (Leeuwarden, 1978) studeerde Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zij verrichtte haar promotieonderzoek bij de afdelingen Urologie van de Isala te Zwolle en het Universitair Medisch Centrum Groningen. De titel van haar proefschrift is: Prostate-Specific Antigen Testing Policy; Non-Urologists and Guideline Adherence. Zij werkt als uroloog in het UMCG en is momenteel fellow endo-urologie en urologische oncologie.